Preek van de week

overweging 13 augustus 2017, Maria Tenhemelopneming

Het gebeurde wel eens, toen ik voor de klas stond, dat de kinderen zelfstandig iets hadden gedaan. Bijvoorbeeld als ik weggeroepen werd en de klas even zonder toezicht kwam te zitten. En dat de kinderen dan toch gewoon doorgingen met hun werk. Vaak heb ik hen dan de hemel in geprezen voor het goede dat ze deden. Dat ze lieten zien dat ze het ook wel zonder mij konden. De kinderen groeiden dan en, zo ijdel als ze kunnen zijn, deden ze de rest van de dag heel goed hun best. Om die hemel maar te blijven verdienen. Gelukkig was het de volgende dag wel weer een beetje gezakt, want het moet ook niet altijd ‘himmel hoch’- gejuich zijn.

Wanneer wij iemand de hemel in prijzen, geven we uitdrukking aan een gevoel van dankbaarheid. Dankbaar vanwege die persoon, om wat hij gedaan heeft. Het gaat meestal om iets wat voor mij gedaan is, bijvoorbeeld iemand doet geheel vrijblijvend de boodschappen voor de buurvrouw. Dat vrijblijvende is dan wel belangrijk. Het mag niet zo zijn dat we er op gaan rekenen, het moet iets bijzonders blijven, een verrassing. Dan worden we steeds met het goede geconfronteerd. Dat geeft weer hoop voor een volgende keer. Als het vanzelfsprekend wordt is er geen hoop meer.

Zo hebben we dat gevoel van dankbaarheid ook bij Maria vertaald door ‘de hemel’. Maria is ten hemel opgenomen vanwege al het goede dat ze aan ons doet. Ze geeft ons hoop op betere tijden, ze is voorspreekster en pleitbezorger bij haar zoon Jezus en bij God de Vader. Wij mogen op haar vertrouwen als we haar iets toevertrouwen. Telkens wanneer we een kaarsje opsteken hier in de kerk, bij ons thuis of in de Sint Jan; steeds staan we even stil bij iets waar we mee zitten, iets waar we dankbaar voor zijn.

Maria wijst naar haar zoon. Dat deed ze ook toen ze aanwezig was bij de bruiloft van Kana. Zij werd geconfronteerd met een probleem: de wijn was op. Maria constateert dat alleen maar. Voorts reageert Jezus met de wat nors overkomende opmerking: bemoei u niet met wat ik moet doen. Kennelijk voelt Jezus zich wel aangesproken, hij pakt het op als zijn verantwoordelijkheid. Maar het is nog te vroeg. Later in het levensverhaal van Jezus, zou hij het gewoon hebben opgepakt. Maar nu is het te vroeg, dit kan niet het begin zijn. Maar, Maria laat zich niet aan de kant schuiven. Zij vertelt wat de schenkers moeten doen. Zij weet het al.

Pas dan komt Jezus in actie. Aangemoedigd door zijn moeder. Zij geloofde kennelijk al in haar zoon, voordat hij zijn openbare leven begon. Ja, zo gaat dat met moeders. Die voelen aan wat hun kinderen willen en kunnen. En gelukkig zien we tegenwoordig ook dat vaders dat doen. En het resultaat was uiteindelijk dat de leerlingen in hem geloofden.

Onze verhouding met Maria gaat vaak dezelfde kant uit. Nog voor we ontdekken dat er iets aan de hand is, heeft Maria al iets voor ons gedaan. Zij heeft het bij God de Vader of bij haar Zoon neergelegd. Zoals de schenkers niet hoefde te vertellen wat het probleem was, zo hoeven wij vaak niet eens te verwoorden wat ons bezighoudt. Maria weet het al en ze heeft zoveel vertrouwen dat het wel goed zal komen. Als we maar geduld hebben, dan komt het goed.

Bij Maria voelen we ons veilig, zoals we ons bij onze eigen moeder en vader veilig voelden, een beschermende hand, een schouder om op te leunen. Troostende woorden, hoopgevende woorden. Zo mogen we Maria nog altijd ervaren, wanneer we een kaarsje opsteken, wanneer we een wees-gegroet bidden, wanneer we even afstappen van de fiets bij het kleine kapelletje aan het begin van een dorp. En we weten ons gesteund door Maria en door de velen die zich ook tot Maria hebben gericht. En wij prijzen en loven haar; wij prijzen haar de hemel in voor alles wat ze aan ons gedaan heeft.

Ze wordt opgenomen ten hemel, uit dankbaarheid, uit hoop, uit bevrijding. Mogen wij Maria in ere houden, nu en in de toekomst. Blijft voor ons de vraag: welke verhouding hebben wij met Maria?

pastor Fons Boom o.praem.