Waarom is er lijden en dood

‘Iemand die door zijn lijden en dood betekenis heeft gegeven aan ons leven.’ Het is een zin die ik niet onmiddellijk begrijp: lijden en dood zijn nu eenmaal geen processen die we als bijzonder zinvol ervaren. Eerder het tegendeel is het geval: lijden en dood verwijzen naar de absurditeit van ons leven, naar het gemis aan zin en betekenis. Zomaar zeggen dat lijden zin heeft, lijkt daarom op zijn minst een nogal dwaze uitspraak. Stel, je hebt een levensbedreigende ziekte onder de leden, of er is iemand gestorven, heel dicht bij je: wanneer iemand je dan wil troosten met de opmerking, dat lijden iets goeds in zich heeft, dat zelfs het grootste lijden zin heeft, dus ook jouw lijden, dan voel je je op zijn minst niet serieus genomen. Lijden en dood verwijzen nu eenmaal naar betekenisloze dimensies in het leven. Ze staan voor verlies, voor de zwarte en donkere dagen die zich aan een mens voor kunnen doen, voor eindeloos verdriet. Wie jou wil wijsmaken dat jouw verdriet en het verlies dat zich in jouw leven voordoet, licht in zich draagt, dat het ronduit zinvolle processen zijn waar je even door heen moet, zo iemand weigert zich echt om je te bekommeren. Bij zo iemand ervaar je vals medelijden, valse troost. Natuurlijk weten we dat ons leven niet volledig maakbaar is, dat bijna ieder leven getekend wordt door lijden, door verlies, door dood. Maar dat betekent niet dat we zin en betekenis gaan toekennen aan dat lijden. Het betekent eerder dat we aannemen dat we het moeten doorstaan wanneer het zich voordoet. Lijden hoort er dus bij, maar niet omdat we het met graagte beleven of er op voorhand de zin van inzien. Integendeel. We verdragen het. En we aanvaarden dat we elkaar daarin ondersteunen. Zoveel mogelijk. Het lijden van de ander doet een appel op ons, het roept ons op er niet aan voorbij te gaan. Verdriet delen, weten we, maakt het verdriet lichter. Zo kunnen we er wel wat betekenis aan hechten: het lijden van een ander roept ons op er voor die ander te zijn. Daarmee zeggen we niet dat het lijden van die ander zinvol is, maar wel dat het ons gelegenheid geeft om betekenisvol voor die ander te zijn. Echt mededogen vraagt daarbij dat we het lijden ernstig nemen; dat we de zinloosheid en de heftigheid van het verdriet echt onder ogen zien. In de zin dat we ons voor kunnen stellen dat het ook ons zou kunnen overkomen. In die erkenning dat het lijden van die ander ook ons zou kunnen overkomen, dat ook wij kwetsbare mensen zijn, schuilt de kern: ik steun jou vanuit het besef dat ook ik kwetsbaar ben, ik voel oprecht met je mee. Jouw verdriet en jouw lijden doen ook mij wat. Het raakt me omdat ik herken wat jou nu overkomt. Erkennen dat ook je eigen leven zwaarte kent, dat we soms simpelweg bezig zijn met overleven, met door de dag heen zien te komen, valt niet mee. Heel vaak vertonen we een soort imponeergedrag waarmee we duidelijk proberen te maken dat niets ons kan raken, dat we de wedstrijd van het leven op een geweldige manier doorstaan, dat ons leven enorm geslaagd is. In die zin doen we ons aan elkaar vaak voor als onkwetsbaar en zullen we in antwoord op de vraag hoe het met ons gaat, bijna vanzelfsprekend zeggen dat alles ok is; dat we alles onder controle hebben. Natuurlijk weten degenen die ons het meest nabij zijn wel beter, maar voor mensen wat verder weg, doen we ons vooral voor als enorm succesvolle personen die alles voor elkaar hebben. Anders ben je in onze samenleving al snel een loser. Zo leggen we zonder dat we het in de gaten hebben een schil van onaanraakbaarheid om ons heen. Die maakt dat we soms echt alleen blijven met ons verdriet, dat we het niet gemakkelijk meer kunnen delen. Die schijn van onkwetsbaarheid die we met elkaar in stand houden leidt gemakkelijk tot kilte in de samenleving. Tot vormen van onbarmhartigheid en uitsluiting: van degenen die het niet maken, die geen succes hebben, die door ziekte en omstandigheden en soms door eigen schuld aan de onderkant van de samenleving zijn beland. Als we iets kunnen leren van de verhalen die ons zijn overgeleverd, is het wel dat beproevingen erbij horen. Dat zelfs de grootsten onder ons kwetsbaar zijn. Dat we allemaal ervaringen delen die ons het gevoel geven dat we in de woestijn verblijven; en twijfelen over de koers van ons leven. Ook Jezus van Nazareth van wie we zeggen dat hij ons voorbeeld is, was een beproefd mens. Een gepijnigd mens. Een mens die twijfelde. Tot op het laatst. ‘Mijn God, waarom heb je me verlaten?’, zo klinkt het tegen het einde van de vastentijd. Erkennen zoals hij, dat we kwetsbaar zijn, maakt ons niet minder, maar meer menselijk. Het maakt dat we meer oog hebben voor elkaar als we geraakt worden door pijn, door lijden. Dat maakt het lijden nog niet zinvol, maar haalt er wel iets van de scherpte af, en vormt zo een begin van troost. Een begin dat vooruitwijst naar Pasen.