Preek van de week

Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik de lezingen van vandaag best lastig vond en dus ook niet wist hoe ik de overweging moest houden. Laat ik dit keer eens beginnen met de uitleg van de schriftteksten. Misschien dat het ons helpt om tot  een goede overweging voor de komende week te komen.

In de eerste lezing wordt de Cyrus, een Perzische koning door God JHWH gezalfd. Hij is een onbekende, een heiden, die door God is aangesteld en met macht bekleed. Maar deze koning wordt omgord (d.w.z. gekleed voor de strijd) en God opent alle poorten. En dat wil zeggen, dat JHWH alléén de levende en enige God is  en niet de koning. God is de Schepper van begin tot einde.

Paulus schrijft  in de tweede lezing aan de christenen van Thessaloniki, dat zij in God en in Jesus zijn. Hij geeft daarmee aan, dat hun leven betrokken is op God. Dan is er harmonie tussen God en hen. Dat komt tot uitdrukking in de christenen daar, die werkdadig geloof, onvermoeibare liefde en standvastige hoop praktiseren. Het evangelie is hun leidraad en wordt niet alleen met woorden, maar ook met kracht en overtuiging beleden.

Tenslotte komen we bij het Evangelie, waarin de Farizeeën met hun strikvraag Jesus in de val willen lokken. Hij doorziet hun bedoeling en vraagt of ze hem een denarie willen laten zien: die munt die wordt gebruikt om belasting te betalen met de beeltenis van de Romeinse keizer erop. Als ze dat doen ….laten ze zien, dat ze zich laten leiden door de heidense heerser, die als goddelijk wordt vereerd. Zoals de munt de beeltenis van de keizer draagt, draagt de mens de beeltenis van God, waardoor hij aan God toebehoort en op zijn beurt God eert.

Dat brengt mij ertoe om u een spiegel voor te houden. Ik weet niet, hoe het u vergaat, maar als ik in de spiegel kijk dan zie ik mezelf. En niet altijd op z’n voordeligst. Het ontbreken van een bos haar, rimpels en puistjes, ouderdomsvlekken en een grijze baard worden onbarmhartig getoond. Jongere mensen hebben het voordeel, dat ze wellicht nog een gladde huid ontdekken en het ontbreken van kraaienpootjes.

Voor de spiegel staande overkomt het mij ook, dat ik mijzelf in de ogen kijk en mijmer over wie ik ben, wie ik wil zijn en de vraag wat anderen in mij zien. Maar een spiegel toont mij en niet de ander en dat is een gebrek. Wie alleen zichzelf ziet en alleen naar zichzelf kijkt, heeft geen oog voor de ander. En wie geen oog heeft voor de ander, heeft – in de ogen van Jesus van Nazareth – ook geen oog voor de Ander, met een hoofdletter. Het één hangt onvoorwaardelijk samen met het andere.

In de auto heb je een achteruitkijkspiegel en zijspiegels, die zorgen dat je ziet wat er om je heen gebeurt. Wie oog heeft voor de ander om zich heen, wie omkijkt naar anderen: die respecteert, dat  medemensen óók beeld zijn van God.

God ziet in Cyrus, de Perzische heidense koning een werktuig van Hem. En Paulus benadrukt in zijn brieven dat het evangelie er niet alléén is voor de Joden, maar ook voor de heidenen. Jesus zelf laat in de ontmoeting met de Samaritaanse aan de put zien dat de Blijde Boodschap er ook is voor haar en dat het gaat om het openstaan voor God en Hem recht doen.

Wat dat betreft sluit deze gedachte naadloos aan bij  WereldMissieDag, die vandaag wordt gehouden. God woont immers in alle mensen. Oók in die van over de grens, óók in mensen buiten het eigen volk en eigen kerkgenootschap. De keizer geven wat de keizer en God geven wat God toekomt betekent dan dat we ieder het zijne moeten geven; dat we mensen in hun waarde moeten laten. En de waarde van allerlei mensen is: dat zij beeld zijn van God.

Dat herkent u ongetwijfeld, want al in het boek van de Schepping horen we dat  God de mens schiep op de zesde dag. En daar staat: “ en God zei: ‘Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend “.

Als u en ik in deze spiegel kijken dan zien we nog onszelf, maar als een ander u aankijkt dan mag hij / zij daarin ook het beeld, het aangezicht van God herkennen. God woont in alle mensen, die zich tot Hem keren en bekennen. Het gaat immers om de gesteldheid, de bereidheid om ervoor te gaan. Zoals Paulus zegt: “ wij hebben u het evangelie verkondigd, niet alleen met woorden maar ook met kracht en h. Geest en volle overtuiging.”         Paulus dankt de christenen van Thessaloniki voor hun werkdadig geloof, hun onvermoeibare liefde en de standvastige hoop op Jesus Christus. Daaraan herken je christenen. Die beeltenis dragen christenen met zich mee. Als we in de spiegel van onze ziel en ons hart kijken, als we een ander mens aankijken, wat zien we dan ?

Niet de buitenkant: de rimpels, de schaduwen onder zijn ogen, haar grijze haren, zijn loszittend gebit. En bij jeugdigen de  laag make-up, de stralend witte tanden, de gladde huid. Nee, je ziet hoe mensen in wezen zijn, hoe zij proberen te leven naar normen en waarden. De lezingen van vandaag nodigen ons uit de medemens te zien als beeld van God. Wij zelf zijn het spiegelbeeld van God. God spiegelt zich af in ons. Wij zijn een afspiegeling van de Blijde Boodschap.

Nu terugkijkend op de lastige lezingen van vandaag, hoop ik dat u en ik wat wijzer zijn geworden. God is de Schepper en vraagt ons met Hem op weg te gaan. Hij is betrokken op wie in Hem geloven en ‘ja’ zeggen op Zijn uitnodiging. Want alleen in wederkerigheid  door ons positieve antwoord kunnen we tot leven komen. Zo houden de lezingen van vandaag ons een spiegel voor. Laten we daar ons door inspireren.  Amen