Preek van de week

 

Overweging tweede zondag veertigdagentijd, 25 februari 2018

Een keer per jaar gaan we samen naar een theatervoorstelling, een musical of cabaretuitvoering. Ooit begonnen als cadeau voor mijn verjaardag. Een mooie traditie, een hoogtepunt in het jaar. Je zou willen dat dat vaker voorkwam. Zo’n avond gezellig uit en genieten van de kleinkunst. Je zou het willen vasthouden, dat gevoel. Een gevoel van verbondenheid, van saamhorigheid.

Je hebt dat ook na een heel intense ontmoeting of een strandwandeling. Het is zo bijzonder dat je dat gevoel wilt koesteren, wilt omarmen, wilt bewaren. Je kunt er dan weer even tegen. Bijzondere momenten, waarbij je God aanwezig voelt. Je ervaart het bijzondere karakter van die gebeurtenis, van die beleving, zouden we tegenwoordig zeggen.

Ik kan me zo voorstellen dat de drie leerlingen dat ook zo hebben ervaren. Ze gaan samen met Jezus de berg op. Ze ervaren dat in Jezus iets bijzonders gebeurt. Hij staat heel dicht bij God, in al zijn lichtheid. Mozes is er als grondlegger van de joodse wet. Elia is er als vertegenwoordiger van de profeten. God zelf lijkt aanwezig. God die laat weten dat Jezus waarlijk zijn zoon is. Wat een moment moet dat zijn geweest, wat een ervaring. Zo mooi, dat Petrus drie tenten wil bouwen.

Maar zo’n gevoel kun je niet vangen en in een tent zetten. Je kunt het niet vasthouden. Garanties worden niet gegeven. Het is maar een moment, maar wel een heel intensief moment. Een ontmoeting die hun leven zou veranderen. Maar toch begrijpen ze het niet helemaal. Als het al te begrijpen is, zo’n goddelijke ervaring. Soms even, ooit. Je kunt het koesteren, maar niet vasthouden. God treedt werkelijk in het leven van Jezus: hij is zijn zoon.

En dan heel plotseling, zoals het begonnen is, is het moment ook weer achter de rug. Mozes en Elia verdwijnen voor hun ogen. Alleen Jezus blijft bij hen. En die zegt dat ze er niet over mogen praten. In tegenstelling tot de genezen melaatse, doen ze wat Jezus hen vraagt. Ze houden het geheim tot na de verrijzenis van de mensenzoon, van Jezus. Ze vertellen het aan niemand, maar begrijpen niet waarom. Wat bedoelt Jezus met: opstaan uit de doden? Daar vertelt het verhaal verder niet over. Dat blijft als een open vraag hangen.

Opstaan uit de doden, verrijzen uit het graf. We kennen het verhaal van Pasen. Dan verrijst Jezus uit de doden. We zullen het horen tijdens de Paasviering. Nu nog blijft het onbeantwoord. Als voorschot op het einddoel van onze weg naar Pasen, weg naar mensen. De leerlingen begrijpen het niet en krijgen geen antwoord. Wij wel, wij kennen het verloop van het verhaal en het einde. Of het nieuw begin. Dat is maar net hoe je er naar kijkt.

Opstaan uit de doden. Wij geloven dat het leven sterker is dan de dood, dat er leven is over de dood heen. Dat doodse perioden een nieuw begin betekenen. Er is altijd een nieuw begin, hoe ondoorgrondelijk het leven ook soms kan zijn. Wij geloven en vertrouwen. Wij geloven in dat leven over de dood heen. Want God is geen God van doden maar van levenden.

De drie leerlingen mochten het ervaren, er bij zijn als Jezus zo dicht bij God staat. Zulke godsmomenten mogen wij ook ervaren, als we er oog voor hebben. Als we zien hoe mensen elkaar ontmoeten in respect en rechtvaardigheid. Als we zien hoe mensen om elkaar geven, er zijn voor de ander. God is dan dichterbij dan we denken. Hij zal ook ons omarmen als zijn kinderen. Hij zal troost en bemoediging geven waar nodig.

We zullen God niet uit een wolk horen. We horen God in mensen, in mensen die kwetsbaar zijn, in mensen aan de rand van de samenleving. Op die manier kunnen we horen wat God van ons verlangt. Hoe zijn rijk tot stand kan komen. Deze tijd van veertigdagen, de weg naar Pasen, weg naar mensen; deze tijd is geschikt om te bezinnen op de vraag wat voor ons opstanding uit de dood betekent. De vraag naar hoe wij God ervaren en hoe God ons kan ervaren.

Dat is dan meteen de vraag voor deze week: hoe staan wij zelf op en hoe laten wij een ander opstaan uit de doden?

pastor Fons Boom o.praem.