| Er was een tijd, honderd jaar geleden, waarin ik er nog niet was. De wereld draaide, de seizoenen wisselden, mensen werden geboren, mensen stierven. Er werd gelachen en gehuild, liefgehad en afscheid genomen. Er waren mensen die zich zorgen maakten over de toekomst, die plannen maakten, die hoopten op geluk en vrede. Mensen, die dachten dat het leven nog voor hen lag. U en ik waren er dus nog niet en nu wij er zijn, zijn zij er niet meer. Maar dan gaat ons een licht op. Momenteel ademen we, kijken wij naar elkaar, stellen wij vragen, zoeken wij naar betekenis. Wij hebben herinneringen opgebouwd, mensen liefgekregen, vreugde gekend en verdriet ervaren. Wij hebben onze plaats gevonden in een wereld die er al lang was voordat wij kwamen. Heel boeiend, maar ook onwerkelijk. Waar kom ik vandaan? Wie was mijn familie tijdens de Franse Revolutie? Heeft 1 van mijn voorouders meegedaan aan de Kruistocht of geholpen met de bouw van de sint Jan of deze kerk? Misschien was er wel een voorzaat van Joosten als herder in de buurt van Bethlehem tijdens de geboorte van Jesus! En wie van mijn verre voorouders leefde in holen, bouwden hunebedden of begroeven hun ouders in Grafheuvels bij Goirle? Ik weet het niet. Soms fantaseer ik, dat ik had willen leven in een andere tijd, maar dat is dus een gemiste kans. Echter, nog meer verbijsterd ben ik over het feit, dat ik er over honderd jaar ook niet meer zal zijn. Althans, niet meer zoals ik nu ben. Uw en mijn naam zullen misschien nog ergens worden genoemd, foto’s zullen worden bewaard, verhalen zullen misschien nog worden doorverteld. Maar onze handen zullen niet meer vasthouden, onze stemmen zullen niet meer klinken zoals nu, onze voeten zullen niet meer over deze aarde gaan. Dan is mijn levenslicht gedoofd. Het is een gedachte die mij stil maakt. Want hoe bijzonder is het eigenlijk dat u en ik er zijn? Dat wij, voor een korte tijd, deel mogen uitmaken van dit grote geheel? Dat wij elkaar ontmoeten, dat wij liefhebben, dat wij iets voor een ander kunnen betekenen? Dat is toch een wonder! En tegelijk: hoe kwetsbaar is dat alles. We leven vaak alsof er altijd nog tijd genoeg is. Morgen kunnen we het goedmaken. Volgende week kunnen we die ene persoon bellen. Later zullen we meer aandacht hebben voor elkaar. We stellen woorden uit die uitgesproken moesten worden, bewaren liefde voor een geschikter moment en denken soms dat wat vandaag vanzelfsprekend lijkt, er morgen ook nog wel zal zijn. Totdat het leven ons eraan herinnert dat niets vanzelfsprekend is. Een ziekte, een ongeluk, ouderdom. Soms komt de dood na een lang leven, soms veel te vroeg. Soms kunnen we ons voorbereiden, soms overvalt het ons. Het besef dat ons leven eindig is, daar kan en wil ik niet altijd bij stilstaan. Want het is eigenlijk onvoorstelbaar. We willen vasthouden wat ons dierbaar is. We willen beschermen wat we liefhebben. We willen begrijpen waarom mensen moeten sterven, waarom juist deze mens, waarom nu, waarom op deze manier. En…..ik kan me geen aarde voorstellen zonder mij. Wat moeten mijn dierbaren zonder mij, wat moet de wereld, wat moet Engelen/Bokhoven zonder mij. Dat kan toch niet ! Maar het leven vraagt niet alleen van mij en u, dat we leren vasthouden. Het vraagt ook, dat we leren loslaten. Niet omdat mensen ons onverschillig zouden moeten worden. Niet omdat verdriet iets is waar we ons overheen moeten zetten. Maar omdat liefde niet hetzelfde is als bezit. Wie iemand liefheeft, kan die ander niet voor altijd bij zich houden. We kunnen het leven niet stilzetten, hoe graag we dat soms ook zouden willen. Wat ik wel kan, is dankbaar zijn voor wat mij gegeven is. Dat ik er ben, dat ik geboren ben, dat ik ben liefgehad, dat ik mocht liefhebben, ouders, mijn geweldige vrouw, mijn fijne kinderen en kleinkinderen. Dankbaar voor de tijd die we samen mochten delen. Voor de gewone dagen, die achteraf zo kostbaar blijken te zijn. Misschien is dat wel één van de moeilijkste levenslessen: dat iets niet eeuwig hoeft te duren om van onschatbare waarde te zijn. De liefde verandert van vorm, maar wat werkelijk betekenis heeft gehad, wordt niet zomaar uitgewist. De mens blijft ons heilig. Misschien heeft dat met het feest van Allerheiligen te maken. Maar toch, wanneer iemand sterft die ons dierbaar is, is dankbaarheid niet genoeg. Dan is er gemis. En dat is Allerzielen. De stoel die leeg blijft. Het telefoontje dat niet meer komt. De verjaardag waarop iemand ontbreekt. Een herinnering, die onverwacht bovenkomt, soms met een glimlach, soms met tranen. Een lied, een geur, een plek die ons ineens terugbrengt naar wat was. Wie rouwt, weet dat de dood niet alleen een einde is van een leven. De dood verandert ook het leven van ons die achterblijven. Er is een toekomst die anders wordt dan we ons hadden voorgesteld. Er zijn woorden die we nog hadden willen zeggen en vragen waarop geen antwoord meer komt. En soms doet juist de liefde het meeste pijn. Omdat we nog zoveel te geven hebben aan iemand die we niet meer kunnen bereiken. En dan komt de vraag die mensen door alle eeuwen heen heeft beziggehouden: is dit nu alles? Zijn wij er slechts voor een korte tijd, als een lichtje dat even brandt en daarna voorgoed dooft? Is de dood het laatste woord over ons bestaan? Of is er, voorbij de grens die wij niet kunnen overzien, een werkelijkheid die ons verstand te boven gaat? Niemand van ons kan de dood uit eigen ervaring beschrijven en vervolgens terugkeren met een volledig antwoord. We kunnen niet bewijzen wat er aan de andere kant ligt. We staan voor een grens waar onze kennis ophoudt en waar onze vragen blijven. Maar juist daar ontstaat ruimte voor hoop. Voor mij als gelovige is die hoop verbonden met God, met de belofte dat de mens niet verloren gaat in het niets, dat de dood niet het einde hoeft te zijn en dat Gods liefde groter is dan onze sterfelijkheid. Deze hoop is geen ontkenning van de werkelijkheid. We weten dat mensen sterven. We voelen dat verlies We zien dat een lichaam en óók ons lichaam kwetsbaar is en afscheid onherroepelijk. Maar ons geloof durft te zeggen, dat wat wij zien misschien niet alles is, wat er bestaat. Dat ons leven niet alleen wordt bepaald door wat wij kunnen vasthouden, meten en bewijzen. Dat er een oneindige liefde is, die ons bestaan draagt, ook wanneer onze eigen kracht ophoudt. En dat Gods trouw niet ophoudt, waar onze mogelijkheden eindigen. Zoals de eerste lezing zegt: “Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen. Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat eerst was, is voorbij. Ik zal zijn God zijn en hij zal mijn kind zijn.” De christelijke hoop op een leven voorbij de dood wordt gevoed door de woorden en het voorbeeld van Jesus van Nazareth. Hij is mij voorgegaan in het vertrouwen, dat wij niet buiten Gods liefde vallen, óók niet wanneer wij sterven. En wanneer we afscheid nemen van iemand die ons lief was, mogen we die mens toevertrouwen aan een liefde die verder reikt dan de onze. Jesus spreekt daarover in het Evangelie: “Ik zal voor jullie een plaats bereiden en dan kom ik terug. Dan zal ik jullie met Mij meenemen en zullen jullie zijn , waar ik ben, want Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. “ Misschien bent u het niet met mij eens, misschien vindt u het een schrale troost, maar het is wel de boodschap van Allerzielen. Ik kan me er geen voorstelling van maken, maar ik geloof dat God mij draagt en dat de Liefde sterker is dan de dood. Het neemt natuurlijk het gemis van dierbaren niet weg. En evenmin het onvoorstelbare dat de wereld over 100 jaar (20 jr) verder draait zonder mij. Honderd jaar geleden waren wij er nog niet. Over honderd jaar zullen wij er niet meer zijn zoals nu. De meeste zorgen waar we ons vandaag druk over maken zijn wellicht vergeten. Onze bezittingen zullen verdwenen zijn. De wereld zal er anders uitzien. Maar misschien blijft iets van onze aanwezigheid voortleven. In de moed die we iemand hebben gegeven. In de liefde waarmee we een kind hebben grootgebracht. In de troost die we boden toen iemand het moeilijk had. In het goede, dat we deden zonder daarvoor erkenning te verwachten. We kunnen de eeuwigheid niet naar onze hand zetten. We kunnen niet bepalen hoe lang onze invloed zal duren. Maar we kunnen vandaag wel kiezen hoe we aanwezig willen zijn. En misschien is dat de opdracht van ons eindige bestaan: niet om de tijd op aarde te overwinnen, maar om haar betekenis te geven. Niet om de dood te ontkennen, maar om het leven lief te hebben. Niet om ieder verlies te begrijpen, maar om elkaar in het verlies nabij te blijven, ook hier vanuit de kerken. Waarin we herinneringen mogen bewaren. Waarin we mogen huilen om wie we missen en dankbaar mogen zijn om wat we samen hebben beleefd. Mijn en uw leven zijn eindig. Maar de betekenis van de liefde, de kracht van de herinnering en de hoop op een leven bij God kunnen ons helpen om die eindigheid met open ogen en een open hart tegemoet te treden. En misschien is dat genoeg voor vandaag: te leven met dankbaarheid voor wat ons gegeven is, met liefde voor wie ons omringen, met ruimte voor wie we missen en met vertrouwen dat het laatste woord niet aan de dood hoeft te zijn. Dat is wellicht een lichtpuntje in de donkere tijd. Amen |